Congressen

Sander Duivestein staat klaar in de coulissen voor zijn presentatie op HI-Day, maar neemt nog even de tijd voor een gesprek in de podcast-studio. We mogen hem niet aankondigen als trendwatcher. Glazenbol-taal en grootse voorspellingen, dat past niet bij hem.
“Ik zie mezelf meer als onderzoeker en analist van wat er nu gebeurt”, zegt hij. “Ik hou me een liefst beetje dicht bij de waarheid.”
Een onverwachte reactie voor iemand die via zijn LinkedIn-feed vrijwel dagelijks een nieuwe observatie over kunstmatige intelligentie publiceert. De relatie tussen mens en technologie is een terugkerend thema, waarbij hij regelmatig de risico’s van kunstmatige intelligentie op de cognitieve en sociale ontwikkeling van mensen benoemt.
Zijn boodschap voor vanmiddag wordt verrassend positief, belooft hij. “Ik hoop te laten zien hoe kunstmatige intelligentie onze menselijke intelligentie naar een hoger niveau kan tillen. We moeten ermee samenwerken, we kunnen het niet negeren, we moeten het omarmen.”
De angst die in het publieke debat domineert - AI pikt banen in, mensen worden overbodig - deelt Duivestein niet. “Ik heb eigenlijk nooit een technologie gezien die zo hard om zich heen slaat. Maar de dystopische verhalen geloof ik niet.”
Wat hij wél ziet, is hoe de technologie zijn eigen dagelijks werk fundamenteel heeft veranderd. “Ik gebruik het voortdurend. Ik kan er al niet meer zonder.”
Maar precies die onmisbaarheid maakt hem alert. Want de grootste bedreiging, zo stelt hij, is niet dat AI te weinig doe, maar dat wij er blindelings op gaan vertrouwen. “Mijn grootste angst is dat mensen gewoon niet meer zelf nadenken. Je ziet het veel op universiteiten: studenten schrijven hun scriptie door simpelweg te prompten, en als ze erop worden aangesproken weten ze niet eens wat het systeem heeft geschreven. Dat is niet slim.”
Het zit in onze aard, zegt Duivestein. Wij zijn gemaksdieren. We kiezen altijd voor het olifantenpaadje, de weg van de minste weerstand. En AI maakt het ons buitengewoon eenvoudig om precies dat te doen.
“Maar we moeten juist van die olifantenpaadjes afwijken en de frictie opzoeken. Jezelf een beetje pijn doen om er echt iets uitstekends uit te halen. Anders blijft het oppervlakkig.”
De symptomen zijn overal zichtbaar. Teksten die onmiskenbaar door een algoritme zijn gekneed - de eindeloze opsommingen, de drieslagen, de schijnbare diepgang van een lege zinsbouw - terwijl de auteur tevreden achteroverleunt.
Duivestein: “Aan de ene kant en aan de andere kant, met van die lange gedachtestreepjes erin. Ik kan een heel riedeltje opnoemen. Je ziet meteen dat het AI-gegenereerd is.”
Dat er meer regulering moet komen, is hem helder. Maar hij koestert weinig illusies over het tempo. “Regelgeving loopt al jaren hopeloos achter op de werkelijkheid. En als je het dan eindelijk maakt, moet het ook goed in elkaar steken. Dat kost tijd.” Voorlopig is het Wild West: alles mag, alles kan worden geplagieerd.
Duivestein is gevraagd als spreker op HI-Day vanwege zijn column geschreven voor het FD over hoe menselijk contact in een door AI gedomineerde wereld schaars en daarmee kostbaarder wordt. Voor de evenementenbranche is dat geen bedreiging, maar een kans.
Hij haalt het begrip ‘huidhonger’ aan, dat tijdens de coronapandemie opkwam. “Ik vond dat zo’n treffend woord voor wat ons mensen maakt. We kunnen elkaar in de ogen kijken, aanraken. En het is zo verleidelijk om dat allemaal overboord te gooien en te vertrouwen op AI.” Jongeren doen dat al, signaleert hij met zorg: ze gaan minder uit, zijn eenzamer, verschuilen zich achter schermen.
Dat betekent niet dat technologie bij evenementen niets te zoeken heeft. Integendeel. Op een festivalterrein ben je als bezoeker allang een datapunt en slimme technologie kan je helpen de juiste mensen te vinden. Maar daarna, zegt Duivestein, moet de telefoon de zak in. “Mijn vriendin heeft een eigen café en ik werk er af en toe achter de bar. Mijn telefoon ligt dan vrijwel altijd in de kluis. En dan praat ik met echte mensen. Heerlijk.”
Het trefwoord voor de nabije toekomst van events? Authenticiteit. “We snakken naar echte dingen, echte mensen, echte optredens, echte verhalen. Niet iets wat prefab digitaal is samengesteld en dan wordt uitgerold in het fysieke.”
Als voorbeeld noemt hij het optreden van Justin Bieber op Coachella, het weekend ervoor. Hij alleen op het podium, die surfte door zijn eigen verleden en zong met de jongere versie van zichzelf. “Het was een meta-laag die hij over zichzelf heenlegde. Maar ook zo puur. Ik kreeg er kippenvel van.”
Dat is precies waar het hem om gaat: technologie die de mens aanvult, verdiept, naar voren brengt.
Er is nog één ding dat hem dwarszit. Niet de technologie zelf, maar wat platforms met onze aandacht hebben gedaan. Een post op Twitter of Instagram geeft je drie seconden aandacht en dan ben je weg.
“Mensen steken tijd en energie in goede content om iemand iets duidelijk te maken of te leren. En dan is het alweer verdwenen. Van dat vluchtige gevoel moeten we af. Laat het alsjeblieft beklijven.”
De platformen weten wat ze doen, stelt Duivestein. Die dopamineprikkels, die notificaties: ze zijn wetenschappelijk ontworpen om onze aandacht te kapen.
In de VS werd onlangs gesproken over een ‘tobacco moment’ voor sociale media. “Dat is het. We weten precies wat er goed en fout gaat met deze technologie. Dus moeten we een halt toeroepen.”
Of torenhoge boetes daarvoor het juiste instrument zijn, weet hij niet. “Maar ze mogen het wel een tandje terugschroeven. Ze hebben toch al geld zat.”
Het podium roept, maar wij willen nog een laatste advies. Hij houdt het kort en krachtig’: “Laat ons mensen zijn.”
Er zijn nog geen reacties.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.